This is default featured slide 1 title

You can completely customize the featured slides from the theme theme options page. You can also easily hide the slider from certain part of your site like: categories, tags, archives etc. More »

This is default featured slide 2 title

You can completely customize the featured slides from the theme theme options page. You can also easily hide the slider from certain part of your site like: categories, tags, archives etc. More »

This is default featured slide 3 title

You can completely customize the featured slides from the theme theme options page. You can also easily hide the slider from certain part of your site like: categories, tags, archives etc. More »

This is default featured slide 4 title

You can completely customize the featured slides from the theme theme options page. You can also easily hide the slider from certain part of your site like: categories, tags, archives etc. More »

This is default featured slide 5 title

You can completely customize the featured slides from the theme theme options page. You can also easily hide the slider from certain part of your site like: categories, tags, archives etc. More »

 

Labrador retriever

De Labrador retriever of kortweg labrador is een hondenras dat afkomstig is uit Newfoundland en Labrador, en afstamt van de St. Johns-hond. Vanuit dit ras is vanaf midden 19e eeuw in Engeland gekruist met een aantal andere rassen, zoals de Gordon setter, de spaniël, de Flatcoated retriever en de Chesapeake Bayretriever.

De St. Johns-hond werd door de Eskimo’s gebruikt voor de visvangst, de labrador werd gefokt voor de eendenjacht en voor de jacht in moerassige gebieden. De retriever heeft rudimentaire zwemvliezen tussen zijn tenen.

De vacht van de labrador is kort en dik met een waterafstotende ondervacht en heeft weinig verzorging nodig. De labrador komt voor in de kleuren zwart, blond, variërend van roomwit tot vossenrood (ook wel fox genoemd), en bruin. In de vroege geschiedenis van dit ras waren de labradors hoofdzakelijk zwart; blond kwam ook wel voor maar in veel mindere mate. In de jaren 70 werd de blonde kleur pas echt populair. Bruin werd gezien als een ‘fout’ en is pas vele jaren later als raskenmerkend toegevoegd aan de rasstandaard. Schofthoogte van de reuen is 55 tot 57 centimeter en die van de teefjes is van 54 tot 56 centimeter. Een labrador weegt ongeveer 35 kilo.

De labrador retriever is door zijn intelligentie en leergierigheid niet moeilijk op te voeden. Toch moet de opvoeding van de labrador niet onderschat worden. Ze hebben net als andere hondenrassen een strenge, consequente opvoeding nodig. Dit moet echter wel met zachte hand gebeuren, omdat het resultaat anders een zeer nerveuze hond is.

De laatste jaren worden labrador retrievers vaak als blindengeleidehond ingezet. Verder zijn ze geschikt voor alle vormen van hondensport. Ze blinken uit bij de jachttraining, en worden ook als jachthonden gebruikt.

De mentale en fysieke eigenschappen van de uitzonderlijk goedaardige labrador zijn gesmeed in het wrede, onherbergzame water voor de kust van Newfoundland door de taaie vissers die hier vanaf het begin van de 16e eeuw een rijke vangst binnenhaalden. Vissers uit Engeland, Portugal en Frankrijk kwamen oorspronkelijk alleen in het visseizoen naar Newfoundland en later vestigden zij zich daar. Het is een algemeen aanvaard feit dat de honden die ze daar mee naartoe namen en vervolgens met elkaar kruisten de voorouders zijn van de honden die wij vandaag de dag als labradors kennen.

Halverwege de 18e eeuw groeide het vissersdorpje St. John’s in Newfoundland uit tot een welvarende stad en het inwoneraantal nam toe. De plaatselijke vissershonden stonden toentertijd bekend als St. John’s-honden. Deze taaie, maar evenwichtige honden werkten samen met hun baasje in kleine vissersboten en moesten het ijzige water induiken om vissen, lijnen en netten binnen te halen. Dankzij hun krachtige poten en otterstaart konden zij zich snel door de koude golven verplaatsen en hun dichte waterbestendige vacht beschermde hen tegen de kou en stootte het water af. Bovendien konden ze dankzij hun sterke, maar zachte mond hun vangst onbeschadigd naar hun baas terugbrengen. En na een lange dag hard werken, keerden de honden terug naar huis, waar ze de spelende kinderen vrolijk gezelschap hielden.

Deze unieke werkhonden zijn begin 19e eeuw via de vissershaven Poole in Dorset in Engeland geïntroduceerd. De jagers hier waren namelijk diep onder de indruk van hun unieke vaardigheden op het gebied van apporteren, zowel in het water als op het land. Een van die jagers was de tweede Earl of Malmesbury, die algemeen wordt erkend als de eerste voorvechter van de Labrador retriever in Engeland.

Malmesbury importeerde St. John’s-honden uit Newfoundland en stichtte zijn eigen kennels voor het ras. In tegenstelling tot andere eigenaren kruiste hij zijn honden niet met andere rassen en zo hield hij de soort zuiver. In 1830 werden St. Johns-honden in de kennels van de Duke of Buccleuch in Schotland geïntroduceerd. En later in de eeuw werden de honden uit de twee kennels met elkaar gekruist om zo zuivere fokdieren te kweken. Dit was een goede zet van de fokkers, want in Newfoundland ging het bergafwaarts met het ras omdat er steeds meer schapenboeren kwamen en het gebied steeds zelfstandiger werd en minder met Engeland handelde. Ook de hoge invoerrechten maakten het lastig te importeren.

Acleris rhombana

Acleris rhombana is een nachtvlinder uit de familie Tortricidae, de bladrollers. De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 14 en 18 millimeter.

Het imago heeft een variabel uiterlijk, maar is desondanks goed te herkennen aan de voorvleugel met licht gele of rozige ondergrond en een roestkleurig rasterwerk van rechthoeken en de spitse hoekpunten. De donkere vlekken op de voorvleugel variëren sterk. De achtervleugel is witgekleurd.

Acleris rhombana heeft allerlei bomen en struiken, zoals meidoorn, appel, peer, Prunus en roos als waardplanten.

De soort komt verspreid over het Palearctisch gebied voor.

Acleris rhombana is in Nederland en België een niet zo algemene soort. De soort vliegt van juni tot in november, met de nadruk op de periode van augustus tot halverwege oktober

Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie: Tortricidae (Bladrollers)
Geslacht: Acleris

Trilobieten

Trilobieten (Trilobita) vormen een groep (onderstam) tijdens het Perm uitgestorven geleedpotigen (Arthropoda). Deze dieren verschenen voor het eerst tijdens het Cambrium en gedurende vrijwel het hele Paleozoïcum bevolkten ze de zeeën.

Trilobieten behoren met ammonieten en dinosauriërs ongetwijfeld tot de bekendste fossielen. Trilobieten zijn veel ouder dan ammonieten en dinosauriërs en hebben in het Paleozoïcum een enorme diversiteit gekend. Er kunnen negen orden worden onderscheiden en ruim 15.000 soorten. Veelal waren het eenvoudige onder water levende dieren. De lengte varieert van enkele mm tot zo’n 70 cm. De meeste gevonden trilobietfossielen hebben een lengte tussen 3 en 8 cm.

Het lichaam bestaat uit een kop (cephalon), een gesegmenteerd borststuk (thorax) en een staartdeel (pygidium). Hieraan danken de trilobieten echter niet hun naam. De naam is afgeleid van het feit dat elke trilobiet één lange lob in het midden heeft met daar links en rechts van een borstflap (pleura, mv. pleurae).

Het voorste lichaamsgedeelte, het cephalon, is gevormd uit vier gefuseerde segmenten en wordt bedekt met schildachtige platen met de posteriore laterale randen naar achteren gericht. De gefuseerde segmenten zijn nog duidelijk zichtbaar door korte groeven op het rugschild. Het kopschild bedekte niet alleen de dorsale zijde (= rug- of bovenzijde), maar liep door tot de ventrale zijde (=buik- of onderzijde), zodat de ventrale zijde nauw en beperkt was. Dit was hoogstwaarschijnlijk ter bescherming van de inwendige organen. Aan beide kanten van het midden van het rugschild bevonden zich, al dan niet, ogen, sterk verschillend in grootte, afhankelijk van de soort. De mond kwam voor in het midden van de onderzijde van het cephalon, precies achter en onder de lipvormige structuren genaamd het labrum. Direct naast dit labrum bevinden zich de eerste aanhangsels (zoals eerder beschreven), de lange enkelvoudige sprieten. Deze antennae zijn homoloog met die van de crustaceae en insecta. Achter de mond bevinden zich de eerder beschreven 4 aanhangsels, gelijk aan elkaar en aan die van de thorax en pygidium. Elk aanhangsel bestond uit een binnen-loop-poot (telopodite) en een buiten-kieuw-arm (pre-epipodite).

Het rompgedeelte, de thorax, bestond uit een variërend aantal en gescheiden, duidelijk zichtbare segmenten; sommige soorten konden zich oprollen tot een bal, net als pissebedden dat nu kunnen. Net als bij het cephalon zijn ook hier de meer naar achteren gelegen, laterale randen naar achteren gericht. Elk segment heeft aan de ventrale zijde dezelfde aanhangsels als bij het cephalon.

Het staartgedeelte, het pygidium, is hetzelfde gebouwd als de thorax, zij het dat de segmenten bij het pygidium zijn gefuseerd en zo een vast schild vormde. De aanhangsels zijn in dit gedeelte aanzienlijk kleiner richting posterior (naar achteren toe).

Aan de rugzijde bevindt zich een exoskelet en aan de onderzijde een groot aantal poten. Vooraan de kop bevinden zich twee antennes waarmee de trilobiet zich kon oriënteren. Daarnaast beschikten de meeste soorten over ogen, voorzien van harde lenzen van calciumcarbonaat, in tegenstelling tot andere geleedpotigen die veelal over zachte ooglenzen beschikken. In de eenvoudigste uitvoering kon daarmee alleen beweging en onderscheid tussen licht en donker worden waargenomen; met de meer ontwikkelde ogen moet het mogelijk zijn geweest om gehele beelden te vormen en diepte te zien. Bij trilobieten die op grote waterdiepten leefden hebben de ogen zich nauwelijks ontwikkeld en aangenomen wordt dat deze soorten volledig blind waren.

Voor de voedselvoorziening waren trilobieten hoofdzakelijk afhankelijk van organisch materiaal dat ze uit de modder filterden. Enkele soorten hebben zich ontwikkeld tot aaseters en roofdieren. De meeste soorten dwaalden over de zeebodem op zoek naar voedsel. Andere waren in staat te zwemmen of te zweven. Vrijwel alle belangrijke organen liggen in de centrale lob. Alleen de kieuwen en de poten liggen daarbuiten. In enkele goed geconserveerde fossielen is aan de onderkant van de kop een mondopening en onder het staartdeel een anus aangetroffen.

Trilobieten vertonen vele unieke eigenschappen, en tot hun meest interessante bijzonderheden behoren ongetwijfeld hun ogen. De trilobieten hebben al in de vroegste fase van hun ontwikkeling als een van de eerste dierklassen een relatief vergevorderd gezichtsapparaat ontwikkeld. Het overgrote deel van de trilobieten bezat twee facetachtige ogen. Het waren facetachtige ogen, niet de ogen die wij nu als facetogen kennen.

De facetachtige ogen waren voorzien van harde lenzen van calciumcarbonaat, in tegenstelling tot andere geleedpotigen die veelal over zachte ooglenzen beschikken. In de eenvoudigste uitvoering kon daarmee alleen beweging en onderscheid tussen licht en donker worden waargenomen; met de meer ontwikkelde ogen moet het mogelijk zijn geweest om gehele beelden te vormen en diepte te zien.

Er zijn ook trilobieten geweest die op geen enkel tijdstip in hun evolutie ogen hebben ontwikkeld. Vertegenwoordigers van deze groep worden gevonden in de onderorde Agnostina uit de orde Agnostida (zie hieronder). Bij trilobieten die op grote waterdiepten leefden hebben de ogen zich nauwelijks ontwikkeld en aangenomen wordt dat deze soorten volledig blind waren. Hiernaast is voor veel soorten een secundaire blindheid vastgesteld. Dit betekent dat ontwikkelde ogen in de loop der tijd ‘wegkwijnden’ en zelfs geheel verdwenen, waarschijnlijk door wijzigingen in hun omgeving of de wijze waarop zij hun voedsel vergaarden.

Facetogen zijn kenmerkend voor artropoden. Bij de moderne arthropoda worden de visuele eenheden ook wel ommatidia genoemd. Elk ommatidium wordt afgeschermd door een hoornvliesachtige lens, met daaronder een kristallen kegel. Deze lens en kegel bundelen het licht op het rabdoom. Het rabdoom bestaat uit een cilinder van gestapelde platen, die elk gemaakt zijn uit parallelle microvilli. Andere buizen staan dwars op de rabdomen en bevatten de foto-receptieve pigmenten. Deze zorgen voor een elektrisch signaal in de ommatidiale zenuwen bij activatie door licht. Deze elektrische signalen worden verwerkt in een ganglion opticum diep onder het ommatidium. Hierbij wordt een compleet beeld gemaakt.

De ogen van de trilobieten zijn analoog met die van de moderne kreeftachtigen en insecten, ze hoeven niet per se homoloog te zijn. De ogen van de trilobieten zijn het oudste visuele systeem en de eerste goed ontwikkelde zintuigen. De evolutie van deze samengestelde ogen gaat over een geologische tijd van 350 miljoen jaar. Net als de facetogen bij de kreeftachtigen en insecten zijn de ogen bij trilobieten opgebouwd uit verschillende radiaal gelegen eenheden, alle een andere kant opgericht. Men onderscheidt zogenaamde holochroale (zie onder) en schizochroale ogen. De ogen van de trilobieten konden misschien wel hetzelfde opgebouwd zijn, maar dit hoeft helemaal niet het geval te zijn. Er is namelijk weinig overgebleven van interne structuren van de ogen. Alleen de lenzen zijn overgebleven door de aanwezigheid van calcium.

De meeste ogen van trilobieten waren holochroaal, ze hadden meestal ronde of polygonale lenzen die allemaal in contact stonden met een enkel hoornvliesmembraan. Holochroale ogen zijn de meest primitieve ogen bij de trilobieten; ze zijn gevonden bij trilobieten afkomstig uit het vroege Cambrium tot en met trilobieten uit het late Perm. De oudste, goed bewaarde ogen komen uit China en zijn afkomstig van een trilobiet uit het late Cambrium. Alhoewel deze ogen al ver ontwikkeld waren, waren ze nog niet volmaakt. De lenzen lagen niet gelijk ten opzichte van elkaar. De lenzen werden afzonderlijk van elkaar ontwikkeld tijdens de groei en zorgden zo voor onvolmaakte coördinatie. De reden waarom er weinig ogen zijn gevonden bij trilobieten uit het Cambrium komt doordat de oculaire structuur niet vast bleef zitten nadat de trilobiet dood was gegaan. Dit systeem verdween aan het einde van het Cambrium, waarschijnlijk door pedomorfose. Dit zorgde ervoor dat de volwassen trilobieten de oogeigenschappen van de juvenielen behielden. Deze larvenogen leken in veel manieren op kleine schizochroale ogen. In de loop der tijd zijn deze lenzen groter geworden.

Lenzen die gevonden zijn uit het Cambrium waren altijd dun en biconcaaf, maar de lenzen van sommige trilobieten uit het Ordovicium, voornamelijk diegene met een dikkere cuticula, hadden de vorm van een lang prisma, met een afgeplatte buitenkant en een bolle binnenkant; toch hebben deze lenzen eenzelfde brandpuntsafstand als bij de biconcave lenzen. Elke lens is opgebouwd uit een enkel kristal van calciet.

Schizochroale ogen komen alleen voor bij een orde Phacopida (Ordovicium – Devoon). Deze ogen zijn uniek en komen bij geen andere nu nog levende groep voor. Bij deze schizochroale ogen zijn de lenzen groter en gescheiden door een interstituele materie (sclera), bestaande uit dezelfde structuur als de rest van de cuticula. De reden waarom deze ogen zo groot waren lag waarschijnlijk aan het feit dat er een korte oculaire capsule onder lag, geplaatst op een platte laag zenuwcellen. Dit zorgde voor een redelijk simpel oog maar met een hoge visuele waarde en de mogelijkheid om gezichtsvelden te laten overlappen. Bij zulke ogen was het mogelijk om een beeld waar te nemen van 360°. Om deze redenen kwamen deze typen ogen voornamelijk voor bij trilobieten die leefden bij zwak licht.

Fossielen van trilobieten zijn wereldwijd terug te vinden. Regelmatig worden niet eerder ontdekte soorten gevonden, waardoor de taxonomische indeling lastig is en regelmatig tot controverses leidt. De snelle evolutie van de trilobieten helpt geologen bij ouderdomsbepalingen van gesteenten waarin trilobietfossielen gevonden worden. In Nederland zijn veel trilobieten uit het Ordovicium als zwerfsteen uit Skandinavië te vinden in het noordelijkste deel van de Hondsrug in Groningen. Fossielen uit latere perioden zijn onder andere te vinden in de Ardennen en de Eifel.

Waarom de trilobieten zijn uitgestorven is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk heeft de komst van de eerste haaien en andere roofvissen hierbij een belangrijke rol gespeeld, omdat de trilobieten voor hen een rijke bron van voedsel waren. Maar dat kan niet de enige reden zijn geweest omdat de uitsterving al veel eerder tot stand kwam. De grootste diversiteit onder de trilobieten bereikte een hoogtepunt tijdens de overgang van het Cambrium naar het Ordovicium. Tijdens het Ordovicium, Siluur en Devoon nam de variatie in soorten steeds verder af. Aan het eind van het Devoon was de proetidatrilobiet de enige nog levende orde. Tijdens de massa-extinctie aan het eind van het Perm stierf ook deze groep trilobieten uit.

Aaskevers

Aaskevers zijn kevers die leven op of van aas, dode lichamen van grotere dieren en/of mensen. Bij de opvatting volgens deze definitie vormen ze niet een welomschreven taxonomische groep, veel soorten kevers uit vele families en genera worden op bij of onder lijken aangetroffen.

Een meer specifieke betekenis voor de aanduiding aaskever is die voor de soorten van de keverfamilie van de Silphidae.

Amazone Gif Kikker

De Amazone Gif Kikker Ranitomeya ventrimaculata is een kleine kikker uit de familie Pijl Gif Kikkers Dendrobatidae. De soort behoorde lange tijd tot het geslacht Dendrobates, de soortnaam was lange tijd ventrimaculatus.

De kleur van deze pijlgifkikker is overwegend zwart, met dunne gele strepen over de gehele bovenzijde, een lichtblauwe zeer fijne nettekening op de poten. De buik is zeer lichtblauw met zwarte vlekken, of soms eerder zwart met een lichtblauwe grove nettekening. Sommige exemplaren hebben een oranje lijnentekening die zo breed kan zijn dat de kleur eerder oranje met zwart is. Het tympanum of trommelvlies is ongeveer half zo groot als het oog. De lengte varieert van 12 tot 17 millimeter.

Ranitomeya ventrimaculata leeft in Brazilië, Peru, Frans-Guyana, Colombia en in centraal Ecuador. De populaties verschillen overigens sterk per land; in Colombia is de soort nog algemeen, maar in Ecuador juist zeldzaam. Het habitat bestaat uit tropische regenwouden waar de kikker leeft van kleine ongewervelden. Deze soort leeft zowel op de bodem als in bomen; er zijn wel eens exemplaren meer dan 40 meter boven de bosbodem aangetroffen. De eitjes worden op de bodem afgezet en het uitkomen worden de kikkervisjes één voor een naar bromelias getransporteerd op de rug van het mannetje. De net gemetamorfoseerde kikkertjes leven van zeer kleine prooien als mijten en springstaartjes.